Berichten

Verkorting partneralimentatieduur

Geplaatst op | Bericht | romyvanravestijn

In de rechtspraak en in de wetgeving zijn er belangwekkende met elkaar tegenstrijdige ontwikkelingen betreffende de partneralimentatie. De Hoge Raad heeft in twee recente uitspraken beslist dat enkel tijdsverloop de huwelijksgerelateerde behoefte aan partneralimentatie niet doet verbleken. Dat zijn de uitspraken van 9 maart 2018 (RFR 2018/81 en ECLI:2018:313) en 4 mei 2018 (RFR 2018/106 en ECLI:2018:695). In laatstgenoemde zaak had het Gerechtshof Den Haag de alimentatieverplichting van de man beëindigd, omdat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. Dat vond de Hoge Raad niet goed. Is er eenmaal alimentatie vastgesteld, dan berust het voortduren van die verplichting niet op het voortduren van de lotsverbondenheid, aldus de Hoge Raad. Daarom kan het “afnemen” of “vervallen” van lotsverbondenheid geen grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting. De Hoge Raad had ook al eerder (bij uitspraak van 20 december 2013, RFR 2014/30 en ECLI:2013:2058) geoordeeld dat het vervallen van de lotsverbondenheid sec geen zelfstandige grond kan zijn voor het beëindigen van de alimentatieplicht. De behoefte aan alimentatie “verbleekt” dus niet louter door tijdsverloop. Dat blijkt ook uit het artikel van Myriam Lückers in EB 2018/35 onder de titel: “Kan behoefte verbleken?”. Of de behoefte aan alimentatie gedurende de huidige wettelijke periode van (maximaal) twaalf jaar wel door tijdsverloop in samenhang met andere factoren kan verbleken, heeft de Hoge Raad volgens mij nog niet duidelijk gemaakt. In recente literatuur wordt wel beweerd, dat de Hoge Raad het verbleken van behoefte onder geen enkele voorwaarden mogelijk acht. Ik kan evenwel uit de twee hiervoor genoemde uitspraken niet afleiden dat de Hoge Raad de deur volledig heeft gesloten. In combinatie met andere omstandigheden, zou tijdsverloop er volgens mij toe kunnen leiden, dat de lotsverbondenheid in de loop van de tijd komt te vervallen.

Op 11 juni 2018 hebben de initiatiefnemers in de Tweede Kamer van het Wetsvoorstel herziening partneralimentatie een Nota naar aanleiding van het verslag het licht doen zien. Lange tijd werd gedacht dat het oorspronkelijk wetsvoorstel, dat op 19 juni 2015 bij de Tweede Kamer is ingediend, een zachte dood zou sterven. Dat is niet het geval. De initiatiefnemers willen het gewijzigde wetsvoorstel op korte termijn in de Tweede Kamer behandeld zien.

De kern van het wetsvoorstel is dat de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud in de toekomst van rechtswege zal eindigen na een termijn, die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren. Die termijn is alleen langer, in het geval het huwelijk langer dan vijftien jaar heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde op het moment waarop echtscheiding wordt gevraagd maximaal tien jaar heeft te gaan voordat hij of zij AOW krijgt. In dat geval duurt de alimentatieplicht tot de AOW-leeftijd (dus maximaal tien jaar). Bovendien eindigt de alimentatieverplichting niet eerder dan op de dag waarop de jongste van de uit het huwelijk van de echtgenoten geboren kinderen twaalf jaar is geworden. Zijn er kinderen, jonger dan twaalf jaar, dan duurt de alimentatieverplichting maximaal twaalf jaar, te weten in het geval dat het jongste kind is geboren op het moment waarop de echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In theorie zou de alimentatieverplichting zelfs iets langer kunnen duren, namelijk in het geval bij de vaststelling van de partneralimentatie rekening is gehouden met een kind, dat nog geboren moet worden.

Ten aanzien van die maximum alimentatietermijn bestaat een hardheidsclausule, in het geval de beëindiging van de alimentatie gelet op de verkorte termijnen zo ingrijpend is, dat een ongewijzigde handhaving van die termijnen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Hiervan zal niet snel sprake zijn. Deze alimentatietermijnverkorting zal naar alle waarschijnlijkheid alleen gelden voor alimentaties, die worden opgelegd nadat het wetsvoorstel kracht van wet heeft gekregen. Zekerheid daarover kan echter pas worden verkregen op het moment waarop het wetsvoorstel wordt aangenomen en bovendien het overgangsrecht bekend is.

Ten opzichte van het eerdere wetsvoorstel, is er wel veel veranderd. De grondslag van voortdurende solidariteit (lotsverbondenheid) blijft bestaan. De eerdere grondslag (door het huwelijk geschapen economische afhankelijkheid) komt te vervallen. Aanvankelijk wilden de initiatiefnemers ook de berekeningssystematiek vereenvoudigen. Dat gebeurt niet. Wilden de initiatiefnemers voorheen indexering uitsluiten, dat plan is van tafel. Bovendien wilden de initiatiefnemers eerder in de wet expliciet de mogelijkheid opnemen om bij huwelijkse voorwaarden af te kunnen zien van alimentatie. Dat plan is ook van tafel. Wat van het oorspronkelijke wetsvoorstel overblijft, is alleen de duurverkorting.

Dat de wetgever niet langer met zoveel woorden in de wet wil opnemen dat het mogelijk is bij huwelijkse voorwaarden een alimentatieregeling te treffen, is een gemiste kans! Uit de tweede Nota van wijziging volgt dat de initiatiefnemers het partijen zelfs expliciet willen verbieden bij huwelijkse voorwaarden afspraken over alimentatie te maken. Dat idee vloeit voort uit een misplaatste gedachte, dat “zwakkeren in onze maatschappij” moeten worden beschermd. Vrouwen zouden te hoop moeten lopen tegen een dergelijke denigrerende visie, die geenszins past in het huidig tijdsbeeld. Hoewel zij het vaakst aanspraak maken op alimentatie, kan toch moeilijk worden volgehouden dat vrouwen “het zwakkere geslacht” vormen, dat tegen zichzelf beschermd moet worden. Toekomstige echtgenoten, die huwelijkse voorwaarden willen opstellen, zijn toch niet te beschouwen als de zwakkeren van onze maatschappij? Mogen toekomstige echtelieden niet zelf beslissen, of zij wel of niet een alimentatieafspraak in hun huwelijkse voorwaarden willen maken? Het idee van het beschermen van de zwakkere partij komt van de Raad van State, die beter zou moeten weten.

 

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel of heeft u andere familierechtelijke vragen, neemt u dan gerust vrijblijvend contact op met Louis Zonnenberg of andere leden van de sectie familierecht.