Berichten

Camerabeelden in procedure toegelaten: waarheidsvinding prevaleert boven privacy

Geplaatst op | Bericht | Sabine

Hieronder staan wij stil bij een recente uitspraak van de kantonrechter Maastricht. In deze kwestie werden camerabeelden als bewijs in de ontslagprocedure toegelaten, ondanks de inbreuk op het recht op privacy van werknemer.

Wat speelde er?

Werknemer was bij werkgever als operator in dienst. Werkgever is een dienstverlener in de afvalverbrandingsindustrie. In het kader van recycling wint werkgever waardevolle metalen (goud, zilver en koper) uit restproducten. Deze metalen worden verkocht aan smelters in Europa.

Na een anonieme tip over vervreemding van (onder meer) goud, is werkgever een intern onderzoek gestart. Daarbij heeft werkgever een analyse gemaakt van het winningsproces en twee plekken geïdentificeerd waar het goud waarschijnlijk door haar medewerkers is ontvreemd. Omdat de exacte locatie op dat moment echter onbekend was heeft werkgever, in overleg met een particulier recherchebureau, besloten het onderzoek tijdelijk te pauzeren totdat er meer zekerheid bestond over de locatie.

Wel heeft werkgever een interne bijeenkomst gehouden, waarbij aan het voltallig personeel (inclusief werknemer) is medegedeeld dat het gerucht gaat dat er tijdens het productieproces goud is ontvreemd, dat dit niet geoorloofd is en dat personeel dat zich daaraan schuldig maakt op staande voet zal worden ontslagen.

Enige tijd daarna is bij werkgever bekend geworden dat er tóch nog goud is ontvreemd (inclusief de locatie waar dit plaatsvond). Naar aanleiding daarvan heeft werkgever met het recherchebureau het onderzoek hervat.

Op de vermoedelijke locatie is een (heimelijke?) camera geplaatst, waarmee gedurende een aantal dagen beelden zijn opgenomen. Aan de hand van deze beelden heeft werkgever geconcludeerd dat medewerkers, waaronder werknemer, goud en/of andere waardevolle materialen aan het zoeken/afromen en ontvreemden waren.

Werkgever heeft daarna een verantwoordingsgesprek met haar medewerkers, waaronder werknemer, gevoerd. Werknemer heeft – in tegenstelling tot vier andere collega’s – het vervreemden van metalen ontkend. Uit de camerabeelden en verklaringen van collega’s blijkt echter anders, waarna werknemer op staande voet is ontslagen.

Onrechtmatige schending recht op privacy?

In de procedure heeft werknemer om vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst verzocht. Werknemer heeft zich ertegen verzet dat de camerabeelden onderdeel zouden uitmaken van het dossier omdat het opnemen van die beelden een onrechtmatige schending van de privacy zou zijn, nu ze zonder zijn toestemming werden gemaakt en over het plaatsen van de camera niet is overlegd met de ondernemingsraad.

Kantonrechter: waarheidsvinding prevaleert

Het zonder toestemming maken van beeldopnamen van een persoon is weliswaar op zichzelf aan te merken als onrechtmatig, maar het belang van waarheidsvinding prevaleert in dit geval. De verdenking is een ernstige (ontvreemding van bedrijfseigendommen), het bedrijfsbelang voor werkgever bij het vinden van de dader(s) is ontegenzeggelijk groot, en werknemer is volgens werkgever slechts op één specifieke plek met één specifiek doel gefilmd en niet langer dan volgens werkgever noodzakelijk, zodat aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan.

Daar komt bij dat een paar maanden eerder het personeel uitdrukkelijk is gewaarschuwd tegen het ontvreemden van bedrijfseigendommen, waarbij het gevolg van overtreding van dit verbod in het vooruitzicht is gesteld, aldus de kantonrechter.

De kantonrechter heeft ter zitting het verzoek van werkgever om het beeldmateriaal waarover zij beschikt en waarop zij de opzegging (mede) heeft gebaseerd ter zitting te bekijken toegewezen, en beslist dat eventueel bewijs van de dringende reden mede aan die beelden en hetgeen partijen daarover ter zitting verklaren kan worden ontleend.

Uit de vervolgens gezamenlijk bekeken beelden is gebleken dat werknemer inderdaad slechts vanuit één camera-standpunt en voor beperkte periodes is gefilmd, en dat op zijn door art. 8 EVRM beschermde recht op privacy geen verdere inbreuk is gemaakt dan de voor vergaring van bewijs door werkgever minimaal noodzakelijke inbreuk.

Op grond van hetgeen is te zien op de getoonde beelden, in samenhang met onder andere de daarbij gegeven mondelinge toelichting van zowel werkgever als werknemer, oordeelt de kantonrechter dat de door werkgever gehanteerde dringende reden voor het ontslag op staande voet vaststaat.

Het verzoek van werknemer om vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, zodat de opzegging in stand blijft.

Tot slot

De kantonrechter komt tot een terecht oordeel. In beginsel geldt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten. Uit jurisprudentie blijkt dat onrechtmatig verkregen bewijs over het algemeen wél in een civiele procedure wordt toegelaten. Waarheidsvinding en het belang van partijen om hun stellingen aannemelijk te maken staat – net als in onderhavige kwestie – meestal voorop.

Wist u dat u voorafgaand aan het plaatsen van heimelijke camera’s een zogeheten data protection impact assessment (DPIA) moet uitvoeren? Dat is een instrument om vooraf de privacyrisico’s van een gegevensverwerking in kaart te brengen. Vragen hierover? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met Karen Knook (+31 73 8000 936 / k.knook@banning.nl) of één van de andere leden van het Privacy-team.